logo_Ede

donderdag, 24 december 2015 13:11

De Klomp en Het Pakhuis een veenkoloniaal verhaal Featured

Written by
Rate this item
(0 votes)

De Klomp – het verhaal over het ontstaan van een nederzetting.

Over de nederzetting De Klomp doet een aantal verhalen de ronde. Zowel over het ontstaan, als over de naam. Die verhalen zijn, bij gebrek aan bronnen, of door onvoldoende controle van die bronnen, nogal eens gebaseerd op niet op feiten berustende eigen interpretaties.Zo wordt er in publicaties wel gesteld dat er bij de Klomp ooit een haven en zelfs een zwaaikom heeft gelegen.

In dit artikel over De Klomp gaan we op zoek naar het antwoord op drie vragen: a) wat is de achtergrond, de etymologie, van de naam de Klomp, b) waarom is deze nederzetting ontstaan, en c) heeft er een haven en een zwaaikom gelegen.

Om te beginnen: het woord “klomp” is een verbastering van “klamp”. Van Dale zegt hierover: “stapel: een klamp turf.....”. Ook het woordenboek der Nederlandse taal geeft deze uitleg: “ turfstapel; turfmijt”. Door verschrijving en/of verbastering werd “Klamp” vervormd tot “Klomp”. De onderbouwing van deze verklaring voor de naam “De Klomp” vinden we in het Archief van de Veenraden.

Zie hieronder.

De Veeenraden, voluit “het College van Veenraden, waren bezitters van veengronden in het zuiden van de Gelderse Vallei. Daar zat veel turf, en de landsheer, destijds Karel II, stimuleerde de ontginning daarvan. Niet uit liefdadigheid, maar omdat hij daar geld mee kon verdienen, in de vorm van belastingheffing. Om turf te kunnen winnen moest het veen eerst ontwaterd worden. Daarvoor werd een afwateringssysteem gebruikt dat deels eerder was aangelegd: de Bisschop Davidsgrift. Die werd opgeknapt en in meerdere richtingen verlengd tot de grenzen van het veengebied. Dat was een dure grap, en daarom bedongen de participanten in die graverij, de Veengenoten, bij Karel II het exclusieve gebruiks- en beheersrecht over de Grift c.a. Dat werd hen verleend in de vorm van een octrooi.

Eén zijtak van de Grift liep, als Boveneindse Grift, tot aan de Eder Zwarte Veenen, de noordelijke grens van het octrooigebied. Op een kaart, te vinden in het Gelders Archief (0012 Gelderse Rekenkamer K244, inv.nr. 7239) zien we de situatie aan het eind van de Boveneindse Grift in 1572, waar later De Klomp ontstond. Geen spoor van een haven, laat staan van een zwaaikom. Beide waren op die plaats ook niet erg zinvol geweest. We weten uit een bestek voor de bouw van een schut en twee bruggen in de Boveneindse Grift, dat deze een doorvaartbreedte moesten krijgen van 8 voet, dat is iets meer dan 2,4 meter. Die bruggen waren vaste bruggen. Er konden in de Boveneindse Grift, anders dan in de eigenlijke Grift, dan ook geen grotere schepen ( de Samoureusen) terecht. Wat er voer, waren vletten en schouwen, die geboomd werden. Deze scheepjes waren symmetrisch, er zat geen verschil tussen voor- en achtersteven. Wilde je de andere kant op varen dan ging je aan de andere kant staan om de boot met de boom, een duwstok, de andere kant op te bewegen. Geen zwaaikom voor nodig.

En als er sprake was geweest van een haven, al of niet met zwaaikom, dan zou dat ook uit het archief van de veenraden zijn gebleken, en de diverse auteurs zouden naar die bron verwezen hebben. Die verwijzing ontbreekt. Erkende specialisten, zoal Deys en Stol, spreken er ook niet over. Op de kadastrale minuut uit 1832 zien we dat de situatie t.o.v 1572 eigenlijk ongewijzigd is: de Boveneindse Grift loopt zonder verbreding voor haven of zwaaikom dood op de Eder Veenen. Er is wel een opvallend verschil. Wie zien dat het pad langs de Grift aan het eind afbuigt, en eigenlijk aan de andere kant van het (denkbeeldig)verlengde van het water aansluit op de Buursteeg, die op de tekening aan de onderkant loopt.En we zien de naam de Klomp. Er is dus niets aan de Grift veranderd, maar wel aan de omgeving.

Wat was het geval?De Veenraden wilden in 1627 de Boveneindse Grift doortrekken tot aan de Buursteeg. Dat zou de afvoer van turf naar het noorden aanzienlijk eenvoudiger maken, omdat de Buursteeg met paard en wagen bereden kon worden, zodat de turf direct uit de schuit op de wagen kon worden geladen. Waarschijnlijk wilde men dan ook, net als aan de Edese en Amerongse kant, een opslagplaats bouwen. Maar dat verlengen van de Boveneindse Grift stuitte op moeilijkheden, omdat de eigenaar van de grond niet wilde meewerken (hoewel hij daar op grond van het octrooi van Karel II wel toe verplicht was). De Veenraden kozen de simpele weg, en kochten twee perceeltjes naast het te doorgraven terrein (het terrein waar op de kadastrale kaart 1832 nu de Klomp ingeschreven is) en verlegden het pad over hun – toen - eigen grond. Daar werd de turf opgeslagen die voor de dorpen in de omgeving bestemd was. En in de loop der tijd ontwikkelde zich hier een los- en laadplaats voor allerlei goederen. Er kwam toen ook meer bewoning. En de nederzetting de Klomp was geboren.

Het terrein heette ook wel het Meentje. De veenraden waren vrijwel allemaal ook geërfden, en dit stukje grond werd door iedereen, net als de wegen en voetpaden, als “gemeen”, als openbaar terrein beschouwd. Stol vertelt in zijn boek dat nog in 1841 een opzichter over het Meentje werd aangesteld. In 1931 ging het over in particuliere handen.Samenvattend kunnen we zeggen dat het buurtje De Klomp zo heet omdat er destijds een turfopslag werd gemaakt, die turf werd opgeslagen in een turfmijt (of meerdere). Een ander woord voor zo'n stapel is “klamp”, een toponiem dat vervormd is tot “klomp”. Die turfopslag is uitgegroeid tot een op- en overslagplaats voor allerlei goederen, en dat leidde tot toename van de bewoning, waardoor er een kleine woonkern ontstond.Maar een haven of zwaaikom, zoals elders gesuggereerd, is er nooit geweest. Dat hadden de toenmalige landmeters zeker op hun tekeningen getoond, en dat was ook zeker in het archief van de veenraden te vinden geweest.

Een andere zaak is dat bij die stapelplaats ook een herberg ontstond. En een kort onderzoek leert dat op vele plaatsen een herberg met een daarbij gelegen stapelplaats was. En dat die combinatie de “soortnaam” de Klomp droeg. We zien voorbeelden in o.a. Vilsteren, Roosendaal, Nuenen, Enschede, Delft, Groningen en Etten-Leur. Dat er bij dergelijke stapelplaatsen een herberg ontstond is verklaarbaar: er was handel, en bij handel is ook al snel sprake van horeca. Niet toevallig liggen aan marktpleinen ook altijd horecaondernemingen. Denk aan het roemruchte Edese “Marktzicht”. Zoals gezegd: er waren in de Gelderse en Stichtse venen nog twee van dergelijke stapelplaatsen: één aan het eind van de Kerkewijk, voor de “karturf”, turf die per wagen over de Amerongse Berg naar de Betuwe ging, en aan het eind van de Pakhuiswijk. Daar stond, bij een boerderij, een pakhuis. De wijk en de boerderij ontleenden hun naam aan dat Pakhuis. Dat pakhuis was ook een stapelplaats. Maar, anders dan bij De Klomp c.a., er ontstond geen horeca. Anders zou het Pakhuis mogelijk wel de “Maanensche Klomp” geheten hebben.

Overigens is in de “Geschiedenis van Ede” ook m.b.t het Pakhuis sprake van een haven. Maar dat is ook in dit geval niet correct. De Pakhuiswijk was nog ondieper en smaller dan het Boveneind, en dus evenmin geschikt voor grotere schepen. Overigens is, net als bij De Klomp, ook bij het pakhuis een nederzetting ontstaan, een buurtje (Hetgeen iets anders is dan een buurschap, een vaak gemaakte denkfout).

Door de stapelplaatsen aan het eind van resp. Kerkewijk, Boveneindse Grift (Boveneind) en Pakhuiswijk werd het mogelijk zogeheten “onvrije turf” uit het veen naar de gebruikers te krijgen.“Onvrije turf” was turf die gewonnen werd door verveners die niet deelnamen in het College van Veenraden, en die dus ook niet bijdroegen in de kosten voor onderhoud van de Grift c.a. Waar de Veenraden hun turf “vrij”, zonder kosten, via de Grift mochten afvoeren, gold dat voor verveners die geen deel uitmaakten van het College van Veenraden nadrukkelijk niet. Als zij turf over de Grift wilde vervoeren, moesten zij daarvoor betalen. Maar voor de regionale afzet was, dank zij genoemde stapelplaatsen, turfafvoer mogelijk zonder van de Grift gebruik te maken. Dat maakte die turf ook iets goedkoper, en dat kwam weer goed uit, omdat dergelijke “onvrije turf” veelal ook van lagere kwaliteit was.

Bronnen: De veenkolonie Veenendaal – T. Stol, Zutphen 1992

De Gelderse Vallei in Oude Landkaarten – H.P. Deys, Utrecht 1988

Langs oude en nieuwe Wegen: Per schouw door de Gelders Vallei – F. van Oort, Ede 2007

Het veen, de veenraden en het Veenraadschap – R. Bisschop e.a. – 1990

Inventaris van het archief van het Veenraadschap – Gemeentearchief Veenendaal z.j.

Geschiedenis van Ede – Vereniging Oud Ede, Ede, 1939

Kadastrale Atlas Gelderland 1832 -Arnhem 1995

Fotocollectie Gemeente Ede

Fotocollectie Gemeente Veenendaal

Gemeentearchief EdeGemeentearchief

VeenendaalGelders Archief Arnhem

Van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandse Taal.

Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT)

 

Jan Kijlstra 2014

Read 59819 times Last modified on donderdag, 24 december 2015 15:37

15338 comments

Leave a comment

Make sure you enter all the required information, indicated by an asterisk (*). HTML code is not allowed.