logo_Ede

×

Waarschuwing

JFolder: :bestanden: Pad is geen map. Pad: /home/qhzcxoun/domains/erfgoedede.nl/public_html/images/HEIJMEN
×

Attentie

There was a problem rendering your image gallery. Please make sure that the folder you are using in the Simple Image Gallery plugin tags exists and contains valid image files. The plugin could not locate the folder:

Warning: Creating default object from empty value in /home/qhzcxoun/domains/erfgoedede.nl/public_html/components/com_k2/views/itemlist/view.html.php on line 743
Super User

 

Bettekamp

In het Edese gemeentearchief, in de studiezaal, bevindt zich een map “Straatnamen”.
Bij een onderzoekje kwam ik daarin de naam Bettekamp, en de verklaring daarvoor, tegen.
Dit staat er:
bettekamp

De betekenis van de naam is met “betere grond” niet zo slecht ingeschat. Maar een betere verklaring wordt 
gevonden als we naar de achtergrond van “Bette” kijken. Daarvoor gaan we terug naar het Latijn. Wie een rooms-katholieke achtergrond heeft, maar ook wie van
klassieke muziek houdt, kent de woorden “Beata Virgine”. Een aanduiding voor de maagd Maria.
“Beata” is de vrouwelijke vorm van “Beato”, wat gezegend betekent. “Beata Virgine” betekent dan ook
“(de) gezegende maagd”. Ook in de naam “Beatrix” vinden we dit terug, deze naam is een samenstelling van “beata” en “viatrix”, en (één van) de betekenissen is “ gelukbrenster”. Een vleivorm is een liefkozende vorm, zo is “Baatje” een vleivorm van “Beatrix”. Deze vorm is als meisjesnaam bekend van uit de middeleeuwen. Het is ook een verkleinvorm van “Bate”. Onder Lunteren vinden we de boerderijnaam Batelaar. Een laar is een open plek in een
bosgebied, waarop landbouw uitgeoefend werd. De naam “Batelaar” betekende dan dat de grond
op die plek goede opbrengsten gaf. Zo'n laar geeft "goede bate", en daar zit weer verband met "beter". Want dat staat, volgens het W.N.T. (Woordenboek der Nederlandsche Taal) voor: in enig opzicht in kwaliteit boven iets of iemand uitstekend. We kunnen “Batelaar” dan ook lezen als “Betelaar”, een akker die qua opbrengst boven andere akkers uitsteekt. Een kamp is een ontginning van een stuk “woeste grond”, veelal bos. En de naam Bettekamp slaat dan inderdaad op “betere grond”, c.q. “grond met een betere opbrengst”. De verklaring “kamp van Betto” is geen optie, Betto zou dan slaan op een Germaanse
persoonsnaam, maar in de tijd van de Germanen was er nog geen sprake van kampontginningen. Dan zitten we al een flink stuk in de Middeleeuwen.

Dit is de collectie Heijmen, een verzameling ansichtkaarten uit (vrijwel alleen) de gemeente Ede

Hergebruik van de afbeeldingen is toegestaan. Bronvermelding is netjes en wordt op prijs gesteld.

{gallery}HEIJMEN{/gallery}Collectie Heijmen

 

Plankenwambuiskop

Het Gemeentearchief  van Ede, dat ook Erfgoededucatie in het takenpakket heeft, publiceert met regelmaat over tal van onderwerpen uit de gemeente Ede. Zo ook over het Planken Wambuis, een restaurant aan de provinciale weg N224 tussen Ede en Arnhem. In 2014 is, in de door het Gemeentearchief Ede uitgegeven reeks, een Historisch Cahier verschenen over de geschiedenis van het landgoed Planken Wambuis. De titel is “Een oase in de wildernis”.

Het landgoed heeft zijn naam ontleend aan de herberg annex boerderij, die in 1782 gebouwd is in opdracht van de Assuer Jan Torck, heer van Rosendaal.De naam komt voor het eerst voor in een pachtacte uit 1789. De omschrijving luidt dan: “Houten off Planken Wambuis, gelegen in het Reemsterveld, bestaande uit Huys Hof en Koorenlanden”.
De naam Planken Wambuis heeft de tijd doorstaan, en is geleidelijk aan ook in gebruik gekomen voor het omliggende gebied. Zo gaf een eenzame herberg de naam aan een groot landgoed.De naam Planken Wambuis was en is aanleiding voor veel speculaties omtrent de betekenis.

Dat bleek ook tijdens het, naar aanleiding van het verschijnen van het boekje,. door het Gemeentearchief georganiseerde “Historisch Café”, waar de bezoekers naar de betekenis van de naam gevraagd werd. En ook in het boven aangehaalde Historisch Cahier wordt gepoogd een verklaring voor de naam te geven. In een artikel in de Kennisbank van het Gemeentearchief van Ede valt te lezen dat de meest gehoorde uitleg voor de  naam die van “doodskist” is. Dat is op zich niet onjuist.

Maar in het boekje valt te lezen: “Bij de herberg stond een grote schuur die van boven breder en wijder was dan op de grond. Zo konden hoog beladen hessenwagens makkelijk naar binnen rijden (en deze aan de andere zijde weer verlaten). Het model van zo'n schuur komt wel overeen met een doodskist: ook van boven breder dan van onderen. In de volksmond werd een doodskist ook wel een planken jas genoemd. Een wambuis is een soort kiel die boeren vroeger droegen. Een wambuis van planken moet dus wel haast doodskist betekenen”.  

Deze uitleg is onbevredigend, en op onze lijst “dingen om te doen” stond daarom al heel lang het schrijven van een tekst over een wel bevredigende, op bronnen gebaseerde duiding van de naam “Planken Wambuis”.  De “spraakverwarring” tijdens het “Historisch Café”, alsmede de publicatie van “Een oase in de wildernis” waren was de aanleiding om dit verhaal eindelijk eens te schrijven.

Voor artikelen in de Kennisbank mogen alleen bronnen gebruikt worden die zich in het Edese gemeentearchief bevinden. Dat is een ernstige beperking, omdat daardoor het onderzoeksveld voor een Kennisbank-auteur zeer beperkt wordt, en daardoor snel niet geheel juiste teksten oplevert. Die bronnen in het gemeentearchief zijn, in dit geval, een boek van Snijders, “Ede op de Veluwe”, alsmede een drietal verzamelingen van voornamelijk krantenknipsels, respectievelijk de Documentatieverzameling Gemeente Ede, idem Kesteloo en idem Hartgers.
Geen van deze vier noemt echter de beschreven schuur en zijn asymmetrische bouwwijze.

Het lijkt er een beetje op dat dit een literaire vrijheid van de auteur is, c.q. dat er sprake is van gebruik van niet genoemde bronnen. Want het "doodskistverhaal" komt elders vaker voor. Overigens is het artikel in de Kennisbank uit 2009. En het doodskist-verhaal is bekend uit 1994, en is gepubliceeerd in “De Schouw”, het blad van de Vereniging van Vrienden van de Hoge Veluwe ii. Maar dit artikel is niet als bron genoemd bij de tekst in de Kennisbank.

Opmerkelijk is wel dat de verklaring “houten bouwwerk” door de redactie van “De Schouw” wel aangestipt wordt, maar vervolgens niet nader wordt onderzocht of onderbouwd.De auteurs van “Een oase in de wildernis” waren niet beperkt in hun bronnenmateriaal tot de inventaris van het Edese gemeentearchief, maar kwamen ook niet tot een bevredigende verklaring van de naam.

Eén van de grote voordelen van het Internet is dat in een steeds hoger tempo steeds meer informatie toegankelijk wordt gemaakt. Dat is een goede zaak, kennis moet gedeeld worden. En, natuurlijk, ook gebruikt. Een wel zeer fraaie toegang is die van het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal iii. Samengevat: hierin zijn alle woorden opgenomen die in teksten voorkomen. En de verzameling bestrijkt de periode van ca. 500 tot 1976.  Zoeken op “Wambuis” levert een drietal verklaringen op.

Ten eerste, uiteraard, de bekende: “een kledingstuk”. Ten tweede een al minder bekende: “buik”. En ten derde: “in verscheidene figuurlijke en overdrachtelijke toepassingen, vooral als verb. “houten (soms:  planken) wambuis” “. Vervolgens wordt er een aantal voorbeelden gegeven. Waaronder: “In toep. op een landhuis. Nog bekend in toponiemen. Zie voor de verb. planken wambuis Dl. XII, 2262. Gewest. ook: plankenhut. Een illustratie van dergelijke houtbouw vinden we in “Gelderland”, een uitgave van de  Prov. Geldersche VVV"

houtenhuis

Ergo: met een planken wambuis werd een gebouw, een huis op het platteland bedoeld. Het Edese “Planken Wambuis” voldoet daaraan, 't staat nog steeds ver buiten de bewoonde wereld.Maar veel gebouwen, ook het platteland, zijn van steen. Er ontbreekt dus nog een stuk van de verklaring. De sleutel daarvoor is te vinden in een artikel van W. Albers, verschenen in 1984 in het “Jaarboek Achterhoek en Liemers”.  Hij beschrijft daarin de herberg-boerderij “Het Houten Wambuis onder Zutphen”.  Dat artikel is moeilijk toegankelijk, voor een kopie van de acht pagina's wordt meer dan elf euro verlangd (sic!). Maar het relevante deel van de tekst is gelukkig opgenomen  in het verslag van een archeologisch onderzoek naar (de restanten van) deze oude Zutphense herberg.

De heer Groothedde van de afdeling Archeologie van de gemeente Zutphen was zo vriendelijk mij dit onderzoek ter beschikking te stellen.In dat onderzoeksverslag wordt geschreven : “De naam “Houten Wambuis” zelf was een veel voorkomende naam voor herbergen. In een inventarisatie uit 1984 (deze inventarisatie is opgenomen in het artikel van Albers J.K.) werd de naam, of een variatie daarop aangetroffen in Ede (Planken Wambuis), Rossum (Houten Wambuis), Rozendaal (Planken Wambuis), Texel (Wambuis), Diever (Houten Wambuis), Brugge (Houten Wambaeys), Adeghem (Wambuis) en Eeclo (Wambuys). Waarom de naam zo populair was is niet geheel duidelijk. “Houten Wambuis” was een algemene kenning voor een dood(s)kist: een houten “jas” die de dode aankreeg. Een wambuis, buis of wammes is na de middeleeuwen een kort jasje, maar was oorspronkelijk een lang gewatteerd kledingstuk dat onder de maliënkolder werd gedragen. Het grondwoord hiervan vinden we terug in het Gotische woord “wamba”, dat buik betekent. Het is ook verwant  aan het Engelse woord “womb”(baarmoeder). Ook in het Nederlands komen we het woord “wamme” nog tegen in de betekenis van buik en ingewanden. Uiteraard is er in dit geval ook een link met de houtbouw van de eerste fase van de (Zutphense J.K.) herberg. Dit laatste zal overigens bij veel herbergen die net buiten de stadsmuren lagen het geval zijn geweest: officieel mocht hier om defensieve redenen alleen in hout gebouwd worden”.

De parallel tussen baarmoeder en herberg is voor de hand liggend: beide bieden een beschutte tijdelijke verblijfplaats. Tijdens een reis, zou men daaraan kunnen toevoegen. We zijn dus een flink stuk verder gekomen: het Edese “Planken Wambuis” was de naam die gegeven werd aan een herberg. Een herberg uitgevoerd in houtbouw. Net als vele herbergen, zeker als ze net buiten de stadsmuren lagen. Dan stonden ze immers in het schootsveld van de verdedigers van de stad, en moesten daarom zo nodig snel gesloopt, c.q. afgebrand, kunnen worden. Bovendien was bouwen in hout voordeliger dan bouwen is steen.

Blijft nog over die schuur die bij de Edese herberg gestaan moet hebben. Van boven breder dan van onderen, zo schrijft de Kennisbank. Dat valt te betwijfelen. Bij veel herbergen die aan een doorgaande route lagen stond een zogeheten “doorrijstal”, een schuur met aan beide uiteinden dubbele openslaande deuren. Dergelijke stallen stonden doorgaans pal aan de weg, en de gevels met de deuren waren vaak naar de weg toe gekeerd. Een koetsier kon daardoor vrij eenvoudig zo'n stal in- en uitrijden.  De bouwwijze was verder traditioneel. Er werd een inpandige draagconstructie  gebruikt, een gebint, met daarop een zadeldak. De vrije ruimte tussen de palen van het gebint, en de hoogte onder de liggers van het gebint bepaalden de voor voertuigen beschikbare  ruimte. Het waren de deurafmetingen die de maximaal toelaatbare afmetingen van een koets of wagen bepaalden. En die deuren waren van boven en van onder altijd even breed.  Omdat een gebint een rechthoekige ruimte (de “deel”) oplevert,  is het zeer onwaarschijnlijk dat de schuur bij het Edese Planken Wambuis aan de onderkant breder was dan aan de bovenzijde, ook al omdat er dan een probleem ontstond met de  uitvoering van de deuren. Er zijn vrij veel afbeeldingen van dergelijke doorrijstallen bekend, en die vertonen allemaal het beschreven beeld. Het is daarom niet aan te nemen dat de stal bij het Edese Planken Wambuis, àls die er ooit gestaan heeft, de
in de Kennisbank genoemde afwijkende vorm had.

Een nog goed bewaard exemplaar van een doorrrijstal staat bij Woeste Hoeve. Op een oude foto van die locatie zien we zelfs aan beide zijden van de weg zo'n doorrijstal. Maar dat punt vormde dan ook een kruispunt van een noord-zuid route (Arnhem-Harderwijk) met een oost-west verlopende (Deventer-Barneveld). De foto komt van http://www.geheugenvanapeldoorn.nl

De conclusie moet dan luiden: het Edese Planken Wambuis was oorspronkelijk een in hout uitgevoerde boerderij annex herberg, traditioneel gebouwd. Er kàn, zoals bij veel herbergen,
een doorrijstal bij hebben gestaan, dat is echter in de bronnen niet te achterhalen. Maar als er een dergelijke doorrijstal bij de herberg  heeft gestaan zal deze qua bouwwijze niet hebben afgeweken van de daarvoor gebruikelijke vormgeving zoals die op oude afbeeldingen nog te zien is.  De naamgeving van de herberg het Planken Wambuis heeft geen aantoonbaar verband met de bouw van een doorrijstal in de vorm van een doodkist.

Het artikel in de Kennisbank van het Edese Gemeentearchief zou daarom aanpassing verdienen.  Net als overigens de toelichting bij “het Planken Wambuis” in de beschrijving bij de Cultuurhistorische Waardenkaart. Maar die kaart annex beschrijving is binnenkort, als we het goed hebben, toch aan herziening toe.

Overigens stonden dergelijke doorrijstallen, zoal niet bij het Planken Wambuis, op meerdere plaatsen in de gemeente Ede. O.a. bij Floor in Lunteren (maar dat was dan ook een officieel "wisselstation" voor de paarden van de postkoets van Bouritius, die van Amsterdam op Arnhem v.v. reed), bij de Posthoorn in Ede, en bij De Klomp.

“Aan het vegte”

In september 1944 probeerden de Geallieerden in een grote operatie een doorbraak te forceren in de op dat moment moeizaam vooruitgang boekende bevrijding van Europa. Met parachutisten moest een aantal belangrijke bruggen op de Duitsers veroverd worden. Deze “airbornes” moesten vervolgens hun posities behouden tot de dan snel oprukkende landstrijdkrachten hen bereiken zouden. De operatie droeg de naam Market Garden.

Dat plan slaagde bijna. Behalve bij Arnhem. Die brug bleef, na verwoede gevechten, in Duitse handen. Daar is al heel veel over geschreven, en er is ook een film over gemaakt. Het resultaat was dat de Amerikanen en Engelsen onder de Waal stonden, en de Duitsers boven de Rijn. Het tussenliggende gebied, het oostelijk deel van de Betuwe, werd het toneel van beschietingen over en weer, en van veel schermut-selingen tussen patrouilles van beide partijen. In feite dus frontgebied.

De Duitsers, hoog en droog op de hoge noordrand van de Rijn gezeten, besloten daar een verdedigingslinie op aan te leggen, die liep van Arnhem tot Rhenen. Voornamelijk een loopgravenstelsel met mitrailleurposten. Onderdeel daarvan was de evacuatie van het gebied. Ook Wageningen en Bennekom werden geëvacueerd. De inwoners werden ingekwartierd bij bewoners van het aangrenzende niet geëvacueerde gebied. Ook Ede kreeg te maken met inkwartiering.

Om alles zo goed mogelijk te kunnen organiseren, had de gemeente Ede bij de Dienst Sociale Zaken daarvoor een aparte afdeling Evacuatie gevormd.

De inkwartiering verliep lang niet altijd zonder problemen. Niemand zit er op te wachten om ongevraagd wildvreemde mensen in zijn woning op te nemen. En de mensen die geëvacueerd waren zaten ook met veel spanningen over wat ze achter hadden moeten laten. Kortom, spanningen alom. Het is dan ook niet vreemd dat er soms wat zaken uit de hand liepen, en de emoties soms de overhand kregen.

Een duidelijk voorbeeld hiervan is een brief, gericht aan de Dienst voor Sociale Zaken, Evacuatie, Brouwerstraat 3 te Ede, t.a.v. de heer A v.d. Berg.

Het handgeschreven briefje zegt (transcript):

Mijnheer van den Berg

juffrouw jansen is met mij aan
Het vegte ze heeft mij een pak slaag
Gegeeffen ze slaat mij in het
Gezicht zegt ik moet maar
Op zoode mietere. ik hep zoo
gehuilt het is gewoon een
Schandaal waar moet dat
Naar toe mijn heer moet
Dat zoo waar is dat goed
Voor ik doe ook geen mensch
Kwaat hoor mijn heer van
Den berg wil u daar goede
Nota van neemen dat is al
Van zaterdag af.

A Robeer
Reehorsterweg 9
Ede

Het stuk bevindt zich in de door Plekkringa en Lagerwij aangelegde verzameling, bijeen gebracht in verband met de productie van het boek “Ede 1940-1945”. De stukken in deze verzameling zijn nooit teruggeplaatst in de archieven waar ze uitgehaald waren, maar bij elkaar gehouden.

Het voordeel daarvan is dat, bij het raadplegen van die verzameling, dit soort documenten ook te voorschijn komen. 't Is “petite histoire”, maar waardevol, omdat er zo een beetje licht komt op de alledaagse gebeurtenissen in een niet bepaald alledaagse tijd.

Hoe het afgelopen is weten we overigens niet.  

Het voorval is ook vermeld in genoemd boek, op pagina 122.

Jan Kijlstra
07-01-2012/ rev. 13-09-2013

Een onbekend stuk geschiedenis van de Tweede  Wereldoorlog

De joodse werkkampen vormen een vrijwel onbekend stuk geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Toch waren er zeker veertig, vooral in het oosten en noorden van Nederland.

Maar ook elders. In de gemeente Ede waren er twee: De Bruinhorst in Ederveen, en 't Schut, tussen Ede en Veenendaal.

schut

                 Overzicht werkkamp 't Schut aan de Schuttersteeg

 

Deze werkkampen werden januari 1942 opgezet, zogenaamd in het kader van de werk- verruiming voor joodse mannen tussen de 18 en 65 jaar. Deels door al bestaande gebouwen aan te kopen en te verbouwen (zoals de Bruinhorst) deels door stichting van nieuwe kampen ('t Schut). De kampen waren specifiekbedoeld voor joodse werkloze mannen.

De ware bedoeling van de bezetter met deze voor joodse mannen gebruikte werkkampen bleek, toen op 2 en 3 oktober 1942 alle mannen uit alle kampen in één keer  naar Westerbork werden getransporteerd. Tegelijk werden ook de in hun woonplaats achter-gebleven gezinsleden naar Westerbork gebracht. Vervolgens gingen zij bijna allemaal, zo’n 12.000 mensen in totaal, naar de vernietigingskampen in Oost-Europa, waar de meesten van hen binnen veertien dagen werden vermoord.

In de geschiedschrijving van Ede hebben de Edese werkkampen weinig aandacht gekregen. Zeker, de kampen waren bekend. Maar onbekend is hun rol als Joods werkkamp.

De laatste jaren is er wel meer aandacht voor het lot van (althans een aantal) tijdens WOII in Ede verblijvende Joden. Zo is er recent een monument op de Paasberg tot stand gekomen.

Dat betreft echter, in principe, alleen Joden die in WOII in de burgelijke stand stonden ingeschreven. Er staan echter ook personen op die al in 1920 uitgeschreven zijn uit de Edese burgelijke stand. En voor onderduikers was, op één uitzondering na, geen plaats.

Ook de relatief grote groep Joodse mannen die in de beide werkkampen verbleef (naar schatting zo'n 350) heeft totaal geen aandacht gekregen. Maar hun geschiedenis is dan ook onbekend. Toch waren ook zij, zij het relatief kort, inwoners van Ede, en zijn uit Ede naar Westerbork gedeporteerd.

De stichting Herinneringscentrum Kamp Westerbork is een project gestart om het verhaal
van de Joodse werkkampen te gaan vertellen. Zij wil dat doen door het doen plaatsen van herinneringstekens bij de locatie van de (veelal verdwenen) werkkampen. Middels een website en een lespakket voor het basisonderwijs en de eerste klassen van het vervolgonderwijs moet zo ook dit deel van de Joodse, en lokale, geschiedenis worden verteld, vooral aan de jeugd.

Dat vertellen, en hervertellen, is nodig omdat zonder kennis van de geschiedenis er ook
niets uit geleerd kan worden.
 

De Stichting Erfgoed  Ede heeft daarom contact opgenomen met het Herinneringscentrum Kamp Westerbork met de vraag of het niet zinvol zou zijn om ook de beide Edese kampen in het project op te nemen.

Dat heeft geresulteerd in een gesprek met het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daaraan is ook door de gemeente Ede deelgenomen in de persoon van archivaris Peter van Beek, die in zijn pakket ook Erfgoededucatie heeft.

Het resultaat van dit gesprek was dat ook het Comité 1940-1945 en het Platform Militaire Historie Ede zijn uitgenodigd om mee te denken over de mogelijkheden  de Edese werkkampen, ingebed in het geheel van het project van het Herinneringscentrum Westerbork,  een duidelijke plek te geven in de Edese geschiedenis.

Vanaf 19 april t/m 31 mei 2014 is in het Historisch Museum Ede de tentoonstelling 'Er reed een trein naar Sobibor' 'te zien. Deze tentoonstelling is gemaakt door Kamp Westerbork en was ook eerder in Museum Elburg te zien.

De expositie vertelt het verhaal van het gelijknamige kamp. Negentien treinen zijn vanuit Westerbork naar Sobibor vertrokken; alle in 1943.  Ongeveer 25 Joodse Edenaren kwamen in dit kamp om. Van zes  van die Edese slachtoffers zijn korte levensverhalen opgenomen in de tentoonstelling. Deze verhalen zijn opgesteld door het Gemeentearchief Ede.
Op deze tentoonstelling is ook aandacht te gegeven aan de Edese werkkampen.

Eén van de bewoners van werkkamp 't Schut was de tekenaar Werner Löwenhardt. Hij was een van de zeer weinige overlevenden, en heeft  in een autobiografie zijn verhaal opgechreven onder de titel “Ik houd niet van reizen in oorlogstijd”. (Uitgeverij de Milliano, ISBN 9072810 414)
In dat boek is ook een aantal van zijn tekeningen uit werkkamp 't Schut en omgeving opgenomen, en deze tekeningen zijn, met welwillende toestemming van Anita Löwenhardt, dochter van de tekenaar, en Jacques de Milliano, de uitgever van het boek, ter beschikking gesteld en op de tentoonstelling gebruikt .

Stichting Erfgoed Ede
Jan Kijlstra (secretaris)

Zo ongeveer iedereen die over de wildwal tussen de Wageningse- en de Meulunterse Eng heeft geschreven in de laatste, pakweg, tachtig jaar, heeft zich gebaseerd, voor zover bewaard gebleven, op de resolutieboeken (buurboeken) van de buurschappen die langs die wildwal lagen.

Het meest gebruikt zijn de resolutieboeken van Lunteren, Doesburg en Ede-Veldhuizen. Want daarin is veel terug te vinden over het herstel van de wildwal, rond 1770. Herstel, want er was al een ouder walsysteem.

Voor Ede-Veldhuizen kunnen we afleiden dat mogelijk reeds in de zestiende eeuw een wildwal was aangelegd. In het oudst bewaarde resolutieboek lezen we immers: “Die wiltvrede sal men dicht maecken na older gewoenten, tegen over veertien daegen nemblich den Xen3 aprilis (15)97.”
Hoewel “wiltvrede” niet betekent dat er sprake was van een wildwal, was er wel degelijk sprake van een wildkerende begrenzing. Aannemelijk is dat dit al een begroeide wal was, met ter weerszijden een droge sloot. Ook begin 17de eeuw komt een wildwal al voor, o.a. in de resoltieboeken van Bennekom.

In het archief van het buurschap Ede-Veldhuizen, aanwezig in het Edese Gemeentearchief, bevindt zich een kopie van een brief, uit (mei?) 1750, aan “de Edel Mogenden Heeren des Quartiers van Veluwen”. Dat waren de Gedeputeerde Staten van Gelderland die, onder stadhouder Willem IV (van Oranje-Nassau), de Veluwe bestuurden.

Opmerkelijk is dat de brief niet door het buurschap Ede-Veldhuizen is verstuurd, maar door een aantal notabelen uit het dorp Ede, t.w. Derk Johan van Winssen, Derk van der Hart (Scholtus des Ampts Ede), Derk Brouwer en Jan Willem Kerkhoff (koster/schoolmeester annex buurschrijver van Maanen, Ede-Veldhuizen en Doesburg). De auteurs schrijven de brief “voor haar selvs en meder hiertoe geäutoriseert en gecommitteerd door de gesamelijke Ingeseetenen van het Dorp Ede”. De Veldhuizenaren hadden kennelijk geen klachten over de zwijnen, anders was het wel een brief van beide buurschappen, de buurschap Ede-Veldhuizen, geworden.

Zij klagen “dat sedert eeinige Jaeren de wilde swijnen in deesen Quartieren van Veluwen daer onder mede op het Ederbosch soodanig sijn vermenigvuldigt dat deselve in den gepasseerden jare considerabele schade aan het coorngewas en Aardvruchten rondom het Ederbosch en den Dorpe van Ede, en selvs in de Buijrten van dien, ongeacht ook de in-en opgesetenen genootsaeckt sijn geweest des nagts wagten te houden, hebben toegebracht”.

Om aan de klacht gewicht te verlenen schrijft men: “Dat in de laetsgepasseerde maand April verscheidene Landerijen, met rogge besaaijt, door de swijnen omgedolven, geruïneert en dus gebruijkers van die Landerijen van dat gewas ten eenemael gefrusteert sijn geworden, waarvan tot enige staeltjes kan blijken uit de annexe verklaringen sub A, B, C, D, E, F, G, H, I en K”.
Die verklaringen van getroffen grondbezitters zijn niet meer aanwezig.

De brief drukt vervolgens de ongerustheid uit over de komende maanden: “Dat het alleszins te duchten is dat het Roggegewasch waar daar(in) komende de swijnen daer aen ook verdere schade sullen toebrengen, en 't welke in het bijsonder te vreesen is ten opsichte van de Boekwijt, welke nog gesaaijt moet worden”.

Bovendien wordt er aandacht gevraagd voor de voedselvoorziening van de minder welgestelden. Want, zo staat er, dat “wijders een groot gedeelte van de Landerijen tussen het Ederbosch en hetDorp gelegen jaerlijks word gebruijkt tot 't pooten van Aardapelen, welk den gemenen Man, en bijsonder aen de Arme Menschen tot het meeste voedsel komen te verstrekken, en waer van de selve voor het grootste gedeelte aldaer door de wilde swijnen worden gefrusteerd”.

Niet alleen, zo vervolgt de brief, zullen hierdoor “die Menschen” gebrek aan voedsel hebben, maar ook de pachtopbrengsten van de akkers kunnen door de verminderde opbrengst terug gaan lopen.
En dat zou betekenen dat  “de Tiendheren, Godshuizen, voorts Predicant en Custos tot Ede...mitsgaders de Kerk en Diaconiegoederen van Ede imposante nadeel sullen komen te lijden”.

Als toetje op de taart wordt ook nog opgemerkt dat “de Geïnteresseerden in het Ederbosch (de Bosmalen – JK) buijten Staet worden gestelt om Eijkels en Beuken, tot onderhoud van dat Bosch nodig, met effect te kunnen saejen”.

Waarna de brief afsluit met “seer ootmoedig te versoeken... die voorsieninge te doen dat het getal der wilde swijnen daer omtrent wenselijk vermindert en dus de Suppli.en (verzoekers – JK) en harer mede Ingeseetenen verdere Schade soo veel mogelijk voorgekomen mag worden”.

Ondeanks de kennelijke aanwezigheid van een “wiltvrede” was er, zelfs met extra bewaking in de nacht (en, zoals elders te lezen valt) met het stoken van vuren op die wal, toch sprake van overlast van zwijnen.

De brief heeft waarschijnlijk niet veel geholpen. Dat kan gekomen zijn omdat de Staten van Gelderland meenden dat het weren van wild van de akkers vanouds een zaak van de boeren in de buurschappen was. Dat de zwijnen op de akkers konden komen betekent overigens dat de in 1597 genoemde wildvrede niet (meer) voldoende dicht was, en dat zal vooral een kwestie van achterstallig onderhoud geweest zijn, mogelijk omdat de geërfden van Veldhuizen weinig genegen waren voldoende bij te dragen aan dat onderhoud. Bij het latere herstel was dat in elk geval zo. Zij hadden immers weinig tot geen last van wild.

Bovendien zal de wilddruk rond die tijd zeker toegenomen zijn. Koning-stadhouder Willem III, een gepassioneerd jager, had van de Staten van Gelderland de Veluwe zo ongeveer als privé-jachtgebied toegewezen gekregen. Toen hij in 1702 overleed, en het Tweede Stadhouderloze tijdperk aanbrak, werd het wild minder bejaagd. En kon dus in aantallen toenemen. De jacht, voorbehouden aan de adel, was voor de lagere standen taboe, ook voor de van het wild overlast ondervindende boeren.
Het wild, ook als het in de eng was, mocht niet worden aangetast. Dat zal ook de reden zijn dat we in de Bennekomse resolutieboeken één en andermaal lezen dat, samen met de naburen van Wageningen, het wild uit de eng gejaagd zal worden. Voor de hand liggend zou zijn de beesten af te schieten, maar daar waagde men zich niet aan. Dat kwam immers neer op stropen, en de straffen daarop waren draconisch, tot executie aan toe.

De wilddruk was op enig moment kennelijk zo hoog, dat (als eersten) de geërfden van Doesburg (in 1770) besloten de wildwal te herstellen. Gevolgd door die van Lunteren, Ede (niet van Veldhuizen!) en Maanen. Opmerkelijk is dat Bennekom en Wageningen daar niet toe overgingen. Waarschijnlijk hadden de boeren in die buurten de wildwal wèl beter onderhouden.

In elk geval op Hoekelum is recent gebleken (uit een onderzoek in opdracht van Het Gelders Landschap) dat de wildwal daar uit een wal met aan beide zijden een sloot bestond, en dat zou een oudere vorm kunnen zijn, een grenswal, afgeleid van de landweren. Die dus, gelegen op de grens met gronden van de Rekenkamer (de Staten van Gelderland) ook, door begroeiing, de functie van wildwal had verkregen. En dank zij beter onderhoud langer intact bleef, zodat een opknapbeurt (middels opnieuw opwerpen van de wal, maar nu met slechts één droge sloot) niet nodig was.

Van Maanen af noordwaarts lagen de eigendomsgrenzen, met uitzondering van Kernhem/Edese Bos, aanzienlijk veel verder van de eng af, en kon de wildwal dus in de hei, op woeste grond, aangelegd worden. Het voordeel daarvan was dat zo ruimte ontstond om de akkers zonder veel problemen te kunnen uitbreiden. Theo Spek (Het Drentse esdorpenlandschap, dl 2, p.702) beschrijft deze methode. Een nadeel kan geweest zijn dat, omdat  de wildwal verder van de akkers aflag, hij alleen daardoor al minder aandacht kreeg. Immers, als de wildwal tevens engwal (akkerwal) is zal de boer er eerder toe geneigd zijn hem goed te onderhouden.

Van de nieuwe wal in Doesburg is een uitvoerig bestek bewaard. Dit is, gezien de resolutieboeken, nagevolgd in Lunteren, Ede-(Veldhuizen) en Maanen. In “Tot hier en niet verder” valt, op pagina 150, te lezen dat in de achttiende eeuw tijd de Gelderse Rekenkamer veel wallen liet aanleggen, en dat daarbij veelal een standaardprofiel werd gehanteerd. Het bestek van Doesburg is daar identiek aan. Het lijkt er dus op dat daar waar geen nieuwe wal werd aangelegd (zoals op Hoekelum) het profiel van de wal teruggaat op het oude grenswalprofiel van een wal met aan weerszijden een sloot, terwijl nieuwe wallen het latere profiel van de Gelderse Rekenkamer gebruikten: een wal met aan één kant een sloot. Een praktisch voordeel hiervan is dat er minder grond door zo'n wal in beslag wordt genomen.

Het onderhoud werd toegewezen aan de boeren die de wal langs hun perceel, of in het verlengde daarvan, hadden liggen. Dat zal ook de reden zijn geweest dat er, naast een wildkerende begroeiing met doornige struiken, ook eikenhakhout op de wal werd gepoot, doorgaans twee rijen. Hakhout heeft geen wildkerende functie, de looien moeten op zekere afstand van elkaar gepoot worden, en houden dan het wild niet tegen. Bovendien zijn de bladeren voor roodwild zeer smakelijk. Maar door hakhout tussen de onderbegroeiïng te poten bracht de wal geld op. Omdat de opbrengsten van wallen niet onderhevig waren aan tiendheffing was dit mogelijk ook de reden dat naast wallen, quasi als behorend tot die wal, vaak hakhoutpercelen, “heggen” aangelegd werden. Daardoor verminderde de tiendopbrengst van het aanpalende bouwland, waartegen de tiendheffers uiteraard bezwar hadden. De vraag of over de hakhoutopbrengst van wallen wel of niet tiendheffing was toegestaan heeft dan ook tot veel discussie geleid.

Gerrit Breman schreef in het blad van Oud Bennekom, “De Kostersteen”, dat àls er overlast van varkens was, dit loslopende varkens van de boeren waren. Die conclusie wordt niet door bronnen ondersteund en valt er ook niet uit af te leiden.. Uit de geciteerde brief, maar ook uit andere bronnen, blijkt dat wilde zwijnen wel degelijk voor problemen op de eng zorgden.

Loslopende varkens deden dat ook wel, maar nooit in grote aantallen. En die beesten werden door de scheuter gevangen, de boeren kon ze terugkrijgen tegen betaling van een boete annex een vergoeding voor de aangerichte schade.
Bovendien moesten de boeren hun varkens “ringen”, een ring door het neustussenschot aanbrengen.
Dat had twee redenen: het wroeten werd daardoor voor het varken veel moeilijker, en een losgebroken varken kon, door een touw door die ring te halen, veel gemakkelijker door de buurscheuter naar het schut gebracht worden. Een ongeringd varken kreeg een touw om een voorpoot, dat werkte ook.

Dat betekende dat ze, met of zonder ring, gevangen werden gezet. Opgesloten, ofwel geschut. Het Bargoens kent de term: “voor schut gaan”, en dat betekent inderdaad: opgesloten worden.

De vernieuwing van de wildwal in Maanen, Ede, Doesburg en Lunteren komt in de resolutieboeken vooral aan de orde in het kader van het beperken van de overlast door roodwild, de “harten”. In deze, latere, fase was de overlast door zwijnen sterk verminderd als gevolg van intensieve bejaging.

Rond 1795 waren de wilde zwijnen in ons land praktisch uitgestorven.
Maar In 1750 gaven ze nog wel degelijk overlast. Zoals o.a. vastgelegd in de bovengeciteerde brief.

De wildwal verloor definitief zijn wildkerende functie toen in de Bataafse tijd het regaal van jacht, voorbehouden aan de adel, werd opgedoekt. De eigenaren van de grond gingen toen de jacht op hun terreinen veelal verpachten. Dat leverde geld op en het wild werd in toom gehouden.

Het nog steeds bestaande buurschap Ede-Veldhuizen bezit nog een stukje bos. En verpacht de jacht daarin.

Jan Kijlstra
05-08-2012, bew. 14-04-2013, 16-12-2015

Ede in WapenrokDe geschiedenis van de militairen in Ede is al vrij uitvoerig beschreven. Aan de basis daarvan ligt het werk van Evert van de Weerd die, soms samen met anderen, een aantal goed gedocumenteerde boeken over het onderwerp heeft geschreven. Met name “Panorama 100 jaar garnizoen Ede 1906-2001” en “Ede in Wapenrok” bevatten een schat aan gegevens. Ook, en in toenemende mate, het internet bevat heel veel informatie.

Of het een gevolg is van de bezuinigingen en de daarmee gepaard gaande inkrimping van de Nederlandse krijgsmacht weet ik niet, maar veel legeronderdelen (vooral als ze zijn opgeheven) hebben tegenwoordig een fraaie website, waar veel historie te vinden is.Toch is veel ook niet terug te vinden. En zijn veel verhalen niet verteld. Het gaat dan veelal om “petite histoires”, maar het zijn juist deze kleine verhalen die smaak en kleur kunnen geven aan het grote verhaal. Zeker voor mensen die niet beroepsmatig een band met het leger hebben (of hadden), maar wel geïnteresseerd zijn in de invloed van het leger op hun eigen omgeving en historie.

Dat is ook één van de achtergronden van het erfgoedproject “Kazerne Ede: een afscheid en een nieuw begin”. De wat breed omschreven doelstelling zegt: “Dit project heeft ten doel om de geschiedenis van de kazernes te ontsluiten voor het Nederlandse publiek en recht te doen aan het werk van alle oud-militairen, dienstplichtigen en veteranen en de inwoners van Ede en omstreken”.

Binnen dit brede kader is het ook de bedoeling dat verhalen worden verzameld die wel interessant zijn om te vertellen, omdat ze een beeld geven van soms maar kleine details van het militaire Ede, maar die juist door die kleinschaligheid buiten de  breder georiënteerde, meer op het globale verhaal gerichte, geschiedschrijving vallen.

Eén zo'n verhaal is het verhaal van de “Achtbaan”. Veel, met name wat oudere, Edenaren hebben die Achtbaan nog goed op hun netvlies. Maar bijna niemand weet waarom hij daar lag, en wat de functie ervan was. Vragen die, zeker binnen het project, om antwoord roepen.

Het bleek om te beginnen al moeilijk iets over de Achtbaan terug te vinden. Hij lag aan de oostkant van het terrein achter de J.W. Friso- en Mauritskazerne aan de Stationsweg. Pal tegen het hek dat de kazerneterreinen afscheidde van het bos van de Sysselt. Wie z'n zondagse wandelingetje achterlangs de kazernes maakte kon hem goed zien. Maar de Achtbaan was al vele jaren verdwenen, het terrein was deels bebouwd geraakt. Dat zal er aan hebben bijgedragen dat hij in de vergetelheid is geraakt.

Maar hij làg er wel. De eerste vraag is dan: wanneer is hij er gekomen? Dat bleek al lastig te achterhalen. Defensie had, ook in Ede, eigen rijopleidingen, en dat die Achtbaan daar als “Verkeersoefenterrein” een rol in had gespeeld was voor de hand liggend. Omdat de J.W.Friso- en Mauritskazerne, ooit gebouwd als kazernes voor de infanterie, in de loop van hun bestaan verschillende legeronderdelen als gebruiker hebben gekend, zou beantwoording van de vragen over de Achtbaan gevonden kunnen worden als bekend was wanneer hij was aangelegd, en ten behoeve van welke legeronderdeel.

Oude kaarten bieden vaak een goede ingang. En het toeval wilde, dat het Kadaster recent een “App” uitbracht ter gelegenheid van tweehonderd jaar Nederlandse topografie. Dit jaar, 2015, is het namelijk tweehonderd jaar geleden dat, op 18 februari 1815, het Topographisch Bureau werd opgericht. Dat dit bureau wat later onderdeel van Defensie werd is niet vreemd, het leger heeft immers bij uitstek behoefte aan nauwkeurige kaarten. De naam van het bureau werd gewijzigd in Topografische Dienst, en deze dienst werd in 2004 onderdeel van het Kadaster.

De “App” (www.topotijdreis.nl) biedt de mogelijkheid om in te zoomen op een gebied, en vervolgens van dat gebied een chronologische reeks van kaarten te bekijken. En dat leverde voor de “Achtbaan” dit resultaat:

Stafkaarten

We zien twee uitsnedes uit zogeheten “stafkaarten”,  Stafkaarten zijn zeer gedetailleerde militaire kaarten. Links de situatie uit 1957. De beide kazernes J.W. Friso en Maurits zijn goed te herkennen, ze liggen op de kop van de “Y”. Er tussenin staat de oude onderofficierskantine. Onder rechts staat, achter de rechter kazerne nog het gebouw van het “Arsenaal”, een opslagplaats waar ook een verhaal aan vast zit. En achter de kazernes zien we een aantal zwarte blokken, dit waren houten barakken. Nog weer een ander verhaal.....

Rechts zien we de situatie anno 1958, dus een jaar later. En er is veel veranderd. Wat vooral in het oog springt is het wegenstelsel aan de rechterkant. Dat is de Achtbaan die we zoeken. De plattegrond verklaart de naam, je kon er “achtjes rijden”. We weten dus dat de Achtbaan in 1957/1958 is aangelegd. Maar we weten nog niet waarvoor. Die vraag valt te beantwoorden als we naar de andere wijzigingen op de kaart kijken. We zien dat de houten barakken nu door in rood uitgevoerde, dus stenen gebouwen zijn vervangen. Er zijn ook gebouwen bijgekomen. De laatste gebruikers van de beide kazernes was de  Luchtdoelartillerie. Had die Achtbaan, en hadden die nieuwe gebouwen, daar iets mee te maken? Het antwoord is: ja, alles!

Het toeval wilde dat op een recente vergadering van de projectwerkgroep “Kazerne Ede” één van de leden een introducé meebracht, een buurman. Dit bleek Peter Gielen te zijn. Peter is kolonel, hij is Commandant Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando. Daar is de Edese LUA in opgegaan.Toen Defensie in 2004 uit Ede verdween, ging de LUA naar Brabant, naar de Luitenant-Generaal Best Kazerne in Vredepeel. Ook het museum van de Luchtdoelartillerie verhuisde mee. In Ede waren destijds wel plannen om de defensiemusea (Luchtdoelartillerie en Verbindingsdienst) in Ede te houden, maar Defensie neemt altijd alles mee, ook haar musea.

's Middags voor de vergadering had ik een e-mail gestuurd aan de website van het Platform Militaire Historie Ede, met de vraag: “wanneer kwam de LUA naar Ede”.  De webmaster van het platform maakt ook deel uit van de projectwerkgroep, en hij kon dus snel antwoord geven op mijn vraag, door te verwijzen naar Peter, die immers ook op de vergadering aanwezig was. En Peter had dat antwoord paraat. Reden om eens te kijken of er ook een website van de Luchdoelartillerie zou zijn . Nou, die is er, eigenlijk wel twee: http://www.hcglvd.nl/  en http://www.luchtdoelartillerie.nl/

Met een schat aan informatie, en heel veel foto's.  Alleen: niets over de Achtbaan. Maar dat was snel op te lossen. Een e-mailtje resulteerde in een uitvoerig antwoord van de Luitenant-kolonel bd. Polfliet, voorzitter van de Stichting Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging. Hij schreef bij het plaatje van de stafkaarten: “Verschillen tussen de situatie 1957 en 1958: duidelijk is midden op de stafkaart te zien dat een aantal gebouwen is afgebroken. Wat overbleef waren vier gebouwen ingericht als garage (die waren nieuw gebouwd, (geen na sloop resterende gebouwen J.K.) en iets ten noorden daarvan (aan de overkant van de straat) een aantal magazijnen. Links van die gebouwen, in de driehoek (vóór de oude kazernegebouwen J.K.)  kwam de manschappenkantine. Verder lagen er ten zuidoosten van de vier garages twee munitiebunkers. Ten noordwesten van de gebouwen lag een gebouw voor opslag ten behoeve van kazernering en aan de overkant van dat gebouw (overkant van de straat dus) lag het kledingmagazijn.
De Achtbaan werd aangelegd als oefenlocatie voor de chauffeursopleiding van de rijschool. Hierop werden rijlessen  en lessen berging gegeven. De aankomend chauffeurs leerden colonne rijden, scherpe bochten maken met aanhangers, etc. Later werden er ook lessen gegeven zoals stellingname van luchtdoelartillerie eenheden”.


Bovenstaande foto is de enig bekende opname van de Achtbaan waarop nog een deel van de oorspronkelijke aanleg te zien is. De foto is gemaakt buiten het hek van de kazerne, vanuit de Sysselt.

Dat er een rijschool aan de LUA, of beter: LuAS (Luchtdoel Artillerie School) was verbonden is logisch: al sinds de tijd van het ontstaan van de Veldartillerie moest er geoefend worden met het verplaatsen van het geschut, en dat is altijd zo gebleven. De paarden van weleer waren vervangen door gemotoriseerde trekkende voertuigen, maar oefening was en is voorwaarde voor doelmatige inzet. Op de weg, en in het terrein.

Overigens ligt in Ede het Beatrixpark. Ooit niet veel meer dan het terrein van een oude zandverstuiving (“Maanderzand”, “Maanderheuvels”) waar ten behoeve van geplande woningbouw een stelsel van betonwegen was aangelegd. Die woningbouw is, op wat uitzonderingen na, lang uitgebleven. Maar het Beatrixpark lag niet ver van de Kazernes, en was via de Berkenlaan en de  Prins Bernhardlaan heel goed bereikbaar. Uit mijn jonge jaren (ik ben van 1944)  herinner ik me nog wel dat er in het Beatrixpark door militairen druk geoefend werd in het autorijden. De eerder genoemde luitenant-kolonel b.d. Polvliet meldde dat er in het Beatrixpark ook geoefend werd met het zogeheten “stelling nemen”. Dat is een militaire term voor het opstellen en gevechtsklaar maken van (in dit geval) luchtdoelgeschut.

De aanwezigheid van militaire rijscholen in Ede zorgde voor ook veel kleinschalige particuliere rijopleidingen. Echte  “papa-mamma”- bedrijven. Mama beheerde de afspraken, en deed de administratie, papa gaf na diensttijd de rijlessen.  
Soms ook werd die rijschool gecombineerd met een taxibedrijf. Ook handig inzetbaar voor vervoer van dienstplichtigen tussen station en kazerne, na het weekendverlof. Met z'n vijven in een taxi, want met name de Elias Beekman en de Simon Stevin lagen een flink eind van het station af.

In 1958 is er op de Achtbaan een groot vuurwerk afgestoken. In dat jaar bestond het garnizoen in Ede vijftig jaar, en in plaats van de traditionele  Heidweek werd er nu in dezelfde periode een feestweek georganiseerd met als thema Defensie . Onderdeel daarvan was bedoeld vuurwerk. Het terrein van de Achtbaan was de hele dag al opengesteld, o.a. voor demonstraties door diverse legeronderdelen, En ook 's avonds, bij het afsteken van het vuurwerk, was dit, op veilige afstand van het afsteken van het vuurwerk, het geval. Maar ik weet nog wel hoe heel veel Edenaren, waaronder ikzelf, achterlangs het Protestants Militair Tehuis de zandweg opgingen, die parallel aan het hek van het militaire terrein liep, Deze weg lag hoger, naar het hek toe lag een steilrand, een natuurlijke tribune, waar vandaan het vuurwerk nog beter te bewonderen viel.

Dit verhaal is mede tot stand gekomen dank zij de hulp van de eerder genoemde Luitenant-kolonel b.d. Polfliet en (met name) Kapitein b.d. Rinus Baaijen, hoofd ICT/ Webmaster Historische Collectie Grondgebonden Luchtverdediging. 

© Jan Kijlstra.

In de Leeuwarder Courant van 22 september 1956 staat een artikeltje met de kop 
“Heeft het rijk de militaire heide bij Ede gekocht of.... gepacht?" Het gaat over een commissie die is ingesteld op een buurspraak, en die ontdekt
zou hebben dat de heide bij Ede niet aan het rijk zou zijn verkocht, maar alleen
voor honderd jaar in erfpacht is gegeven. Gevolg daarvan zou zijn dat anno 2000 de hei weer in beheer van het buurschap
Ede-Veldhuizen zou komen. Er is destijds onderzoek gedaan naar de juistheid van de beweringen van de
commissie, maar uit dat onderzoek is niets te voorschijn gekomen. Ook in later jaren is de vraag nog weleens ter tafel gekomen, maar daar is toen
geen gevolg aan gegeven in de vorm van nader onderzoek. In het kader van het project “Living Artefacts”, een project waarvoor
de provincie Gelderland subsidie heeft gegeven, is een werkgroep gevormd.
Aan deze werkgroep neemt ook het buurschap Ede-Veldhuizen deel. Het project is erg breed van opzet, en één van de onderwerpen is de rol van het
buurschap Ede-Veldhuizen in de militaire geschiedenis van Ede. Voor zover het
buurschap in die geschiedenis een rol heeft gespeeld betreft dat vooral de
verkoop van de destijds in haar bezit zijnde Ginkelse- en Eder Hei, die het
toenmalige Ministerie van Oorlog als oefenterrein wenste te verkrijgen. Over de achtergrond en invulling van die wens van het leger is een heel verhaal
te schrijven. Samengevat komt het neer op twee punten. 1) Het buurschap
heeft destijds de Ginkelse Hei aan het rijk verkocht. Maar 2) de Eder Hei werd
voor een periode van honderd jaar verpacht. Waarbij het Ministerie het recht
verkreeg om tussentijds tot aankoop van het geheel of delen daarvan
over te gaan. Binnen de werkgroep is de vraag opnieuw gerezen hoe de vlag er feitelijk
voorstaat. Door het buurschap is opnieuw gezocht naar documenten. Primair
naar de verkoopacte van de destijds verpachtte Eder Hei. Want die hei is
ondubbelzinnig ook al vele jaren in bezit van het rijk. Het buurschap heeft
opnieuw geen antwoord gevonden. Nou heeft schrijver dezes er vroeger ook wel eens naar gekeken. Het stond
op zijn lijstje “To Do”, in de dagen dat hij actief was binnen het buurschap.
Door zijn vertrek als buurrichter is aan het onderwerp sindsdien weinig aandacht
gegeven. Al werd er tussentijds, als het zo uitkwam, uiteraard wel eens wat
(digitaal) genoteerd over het onderwerp. Dossiervorming, heet dat. Omdat vanuit het buurschap geen antwoord aangedragen kan worden op
de vraag uit is op basis van de bestaande notities op de harde schijf toch
even een kort onderzoekje gedaan. Dit is, zonder al te veel in details te treden, het resultaat: De Ginkelse Hei is op 21 december 1900 door het buurschap Ede-Veldhuizen
aan het Ministerie van Oorlog verkocht. Het gaat om in totaal 164 hectare,
51 are en 5 centiare, en het rijk betaalt daarvoor f 29358,49 (€ 13344,77).
De acte van Koop en Verkoop is verleden door notaris Willem Frederik Jacob
Fischer op 21 december 1900. Het nummer van de acte is 5980. Op dezelfde datum heeft het buurschap de Eder Hei aan het Ministerie van
Oorlog verpacht voor de tijd van 100 jaren, waarbij het Ministerie het recht
kreeg om tot 1 januari 1921 de gepachte grond geheel of gedeeltelijk te kopen
tegen een vaste prijs vanf 150,-- per hectare.
Na die datum kon het rijk de grond ook nog wel kopen, maar dan zou er een door
drie deskundigen vast te stellen nieuwe prijs gehanteerd worden. Het nummer
van deze Erfpachtacte, eveneens verleden op 21 december 1900, is 5981.
De erfpachtcanon bedroeg het eerste jaar f 1745,69½, in volgende jaren
f 1645,69½. De totale oppervlakte bedroeg 650 hectare, 46 are. Eventueel zou
daar nog 36 are bijkomen, als de schietvereniging “Piet Joubert” de aan haar in
gebruik gegeven grond “tot het eventueel oprichten eener schietbaan” niet in
gebruik zou nemen. Het nummer van deze erfpachtacte is 5981. Tot hier is alles eenvoudig na te gaan, o.a. in het Edese gemeentearchief.
Maar hoe zat het nu met het aflopen van die erfpacht? Want ooit heeft het rijk
de Eder Hei in eigendom verkregen. Daar komt de website www.delpher.nl te hulp. Op die website zijn onder
andere millioenen krantepagina's op trefwoorden te doorzoeken. En dan vinden we
dat het buurschap Ede-Veldhuizen kort na de verpachting van de Eder Hei deze in
pacht gegeven gronden bij gesloten inschrijving te koop aanbiedt.
Als geldbelegging. Er zijn vijf inschrijvers geweest, maar de koper was de eigenaresse van Kernhem,
de Hooggeboren Vrouwe Maria Cornelia Gravin Bentinck, geboren Baronesse
van Heeckeren van Wassenaer, echtgenote van den Hooggeboren Heer Willem
Carel Philip Otto Graaf Bentinck wonende op kasteel Weldam, gemeente Markelo.

Zij betaalde f 55.155,-- voor ruim 653 hectare, dat was ongeveer f 84,50 per
hectare. Die grond had het Rijk, blijkens de erfpachtacte, ook kunnen kopen,
voor f 150,-- per hectare. En de Ginkelse Hei was verkocht voor zo'n f 180.- per ha.
Het buurschap heeft de Eder Hei dus voor amper de helft van de waarde verkocht.
Naar de redenen voor deze lage prijs kan men slechts gissen. Bovendien, de
grond was met erfpacht bezwaard, en leverde dus jaarlijks al rendement op.

Echter, gelet op de eeuwenlange dominante positie van Kernhem in het buurschap
Ede-Veldhuizen zou deze positie wel eens van belang kunnen zijn geweest.
Dit te meer omdat één van de betrokken buurmeesters een hele dikke dubbele
pet op had. Want Cornelis Staf was niet alleen buurmeester, maar ook bosbaas
van het in het bezit van Kernhem zijnde Edese Bos!

Saillant is dat de kleinzoon van de bosbaas, eveneens Cornelis geheten ("Kees")
later Minister van Oorlog zou worden. Door deze verkoop nam het kasgeld van het buurschap sterk toe, en er
werd daarom een buitengewone buurspraak bijeengeroepen op 3 april 1904,
teneinde te “delibereren” over de verdeling van het kapitaal groot f 119.000,--.

Het dagblad De Tijd deed daar in de editie van 6 april 1904 verslag van. Opmerkelijk is dat het artikel eindigde met de zin: Zoo zijn nu alle bezittingen der
Buurt in andere handen overgegaan en heeft zij dus opgehouden te bestaan”
.

Niets was minder waar, het buurschap had immers nog materiële en
immateriële bezittingen, en de geërfden hebben het buurschap nooit opgeheven.
Om een buurschap op te heffen was een meerderheidsbesluit van de geërfden
nodig, zoals voorgeschreven in de Markewet.
Dat besluit is nooit genomen.

Overigens is de Markewet, voor zo ver valt na te gaan (bij het Ministerie van
Binnenlandse Zaken), nooit buiten werking gesteld.
En daarom zou nog steeds iedere geërfde in het buurschap Ede-Veldhuizen
kunnen eisen om het buurschap op te hefffen. Het bestuur van het buurschap
is dan verplicht een procedure te starten die kàn uitmonden in opheffing.
't Zou een interessante juridische casus zijn. Om te beginnen al omdat er dan
eerst vastgesteld moet worden wie tegenwoordig nu precies, in de zin der wet,
geërfde is. Exact, met naam, adres, en welk onroerend goed er in bezit is. Anno 1913 verkopen de erfgenamen van de gravin een deel van de Eder Hei
aan de Staat der Nederlanden, en in 1920 (dus binnen de daarvoor in de
erfpachtacte gestelde termijn) zijn alle oorspronkelijk door het buurschap
verpachtte gronden door het rijk aangekocht.

Daarvan moet een acte van koop en verkoop zijn opgesteld. Die is, blijkens
informatie van het Ministerie van Defensie, te vinden in het Rijksarchief
in Den Haag, in het archief van de Koninklijke Landmacht.

Voor wie wil gaan kijken: het toegangsnummer is 2.14.45,
inventarisnummer 4440, deel 2.

Overigens heeft deze ingang alleen betrekking op het jaar 1920. Uit het 
kadaster blijkt dat de hei in delen aan het rijk verkocht is. In de acte van
verkoop en koop van 29 april 1902, nummer 6353 wordt de hei verkocht
aan degravin Bentinck. De acte noemt zo’n vijfentwintig percelen. Deze
percelen zijn kadastraal terug te vinden, en bij de verkoop wordt steeds
een dienstjaar genoteerd. De feitelijke verkoop ligt dan een jaar eerder.
En de percelen die aande gravin zijn verkocht zijn, blijkens het kadaster,
aan het rijk verkocht in de periode 1912-1919.
Helaas is het archief van de genie niet volledig, er mist er een hele reeks
van jaren. Ook in het Edese gemeentearchief zijn niet veel nadere
gegevens te vinden. Waarschijnlijk zijn de deelverkopen gepasseerd ten
overstaan van een niet-Edese notaris. Verkoper noch koper hadden
immers hun domicilie in Ede.
Wie echt het naadje van de kous zou willen weten moet het archief van
de rentmeester van graaf Bentinck raadplegen. Daarin zullen kopieën van
de onderscheidene aktes mogelijk terug te vinden zijn.
Een interessant onderzoek, maar het valt buiten het kader van het
project “Living Artefacts”.

POLEN OP DE LANGENBERG

Polen op Langenberg 2

Bovenstaande foto is gemaakt op 10 mei 1940, de dag dat het Duitse leger Nederland binnenviel en waarmee de Tweede Wereldoorlog ook in Nederland een feit werd. Het verhaal is bekend: het Nederlandse leger had een groep mannen gevangen genomen. Men dacht dat dit leden van de Vijfde Kolonne waren, vermomde Duitsers die als spion werden ingezet. Die gedachte was begrijpelijk. Onzekerheid gepaard met angst leidt snel tot geruchten en onbewezen aannames.

Onder andere in het boek “Ede in wapenrok” van Evert van de Weerd en Gerjan Crebolder wordt het verhaal van deze groep vrij uitvoerig verteld. Niemand weet wat er met deze mensen precies is gebeurd. De auteurs van het boek schrijven: “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn deze 'Polen' door Nederlandse troepen in Culemborg gefusilleerd en begraven in natuurgebied 'Het Rondeel' ". Een verdere speculatie zou kunnen zijn dat het genoemde “Rondeel”, vanouds onderdeel van de vestingwerken van Culemborg, in die dagen (nog) militair terrein was, waar dan inderdaad een dergelijke massaexecutie annex begrafenis zou kunnen hebben plaatsgevonden.

Hoe dan ook, op het moment van de foto bevond de groep zich op het terrein van het hotel-pension De Langenberg, tegenwoordig een bekend pannenkoekenrestaurant, toen en nu gelegen aan de uiterste oostkant van Ede, nabij de aansluiting op de N224. Op 10 mei 1940 de commandopost van het vierde regiment Huzaren. In het boek lezen we dat de groep vlak bij Ede is aangehouden, 'bij de bosrand van de Sysselt'. Er is direct een verhoor afgenomen. Er was echter een probleem, van deze mensen konden slechts enkelen zich in gebrekkig Duits verstaanbaar maken. En daaruit werd opgemaakt dat ze Polen waren, die gevlucht waren uit (krijgs-)gevangenschap. En dat ze naar Engeland wilden.

Deze gebeurtenis hebben de auteurs teruggevonden in de militaire archieven, waarin vermeld wordt: 'Bij 1-4 RH (het 1e eskadron van het 4e regiment Huzaren) zijn langs de spoorweg een 30-tal personen gekomen, die zich uitgaven voor uit Duitsland gevluchte personen , die via Utrecht naar Engeland wilden. Zij zijn onder geleide doorgezonden'.

Dat doorzenden was dus tot aan de plek op de foto, bij De Langenberg. Want uit hetzelfde verslag in het militaire archief, citeren de auteurs, daarover: '...Kpl + 1 man begeleiden hen richting Ede.' Op de foto zien we veel meer Nederlandse militairen dan alleen een korporaal plus soldaat. Bovendien lijkt het erop dat de groep in gelid wordt gezet om afgemarcheerd te worden. Onder een flinke militaire begeleiding, ditmaal.

Even verderop lezen we dan dat de groep Kernhem passeert, Het regiment Huzaren had stellingen ter hoogte van Kernhem betrokken, om rijksweg 224 te kunnen dekken. En de commandant had de groep, die in een hoog tempo onderweg was naar het westen, Duits horen praten. Dat is vreemd, omdat in eerdere verslagen te lezen valt dat slechts enkelen uit de groep gebrekkig Duits spraken. En als Polen zullen ze onderling toch zeker Pools gesproken hebben. Maar we weten ook niets van de talenkennis van die commandant van de huzaren. En er waren ook nogal wat Polen die Duitse wortels hadden. In elk geval kon de groep de stelling passeren, en dat kon alleen als daar door het leger toestemming voor was gegeven. Vanaf dat moment is in de officiële stukken niets meer terug te vinden, al leveren de schrijvers van het boek dus nog een zeer aannemelijk vervolg.

Maar wat is er nu gebeurd tussen het moment van de foto, het afmarcheren vanaf De Langenberg, en het passeren, door de groep, van de stelling bij Kernhem. Recent is daar wat meer over boven tafel gekomen. Achter het toenmalige Edese gemeentehuis aan de Not. Fischerstraat stond, aan wat 'het politiesteegje' heette, het politiebureau. Tussen de binnnenplaats van het politiebureau en de tuin van de naastgelegen Spaarbank voor Ede en het gemeentehuis stond een muur. Tussen het gemeentehuis en de Spaarbank stond een laag hek. In het Spaarbankgebouw woonde de familie Boeve. Vader Boeve was begrafenisondernemer, en werkte ook als conciërge in het pand van de Spaarbank. Het gezin Boeve woonde in het Spaarbank- gebouw.

Wim Boeve, zoon van de begrafenisondernemer, vertelde mij dat hij en zijn broer -in 1940 opgroeiende jongens- op een zeker moment een hoop gepraat achter de muur hoorden, bij het politiebureau. En dat er zeker niét zachtjes werd gesproken, maar dat ze er desondanks geen woord van konden verstaan. Nieuwsgierig als ze waren, loerden ze over de muur, en daar hebben zij de toen de Polen gezien. Die waren door het Nederlandse leger aan de Edese politie overgedragen. Dat is goed te begrijpen, er waren kennelijk geen of onvoldoende aanwijzingen dat het al of niet vermomde Duitse militairen waren. Dus werden ze overgedragen aan de gemeentepolitie. Die daarmee opgezadeld werd met een lastig probleem. 't Waren ongetwijfeld buitenlanders, zonder papieren. Die zou je moeten opsluiten, in afwachting van verdere stappen. Maar op zo'n grote groep was de celruimte van het Edese politiebureau bij lange na niet berekend. En doorsturen dan? Waarheen? 't Was oorlog, de Duitsers kwamen eraan.

De politie moest natuurlijk ook, en in de eerste plaats, de burgerij van Ede beschermen, en de orde handhaven. Goede raad zal duur geweest zijn. Wim Boeve vertelde welke oplossing gevonden werd: men liet de groep Polen gewoon weer vertrekken. Naar het westen. Dat moet gebeurd zijn na overleg met de militairen, want anders hadden ze nooit langs de stelling bij Kernhem kunnen komen, en waren ze ook nooit door de Grebbelinie bij De Klomp, ten westen van Ede, geraakt.

Aannemelijk is dat de groep, in afwachting van de resultaten van het overleg, tijdelijk onder toezicht van de Edese politie was geplaatst. En dat kon het beste op het politiebureau, met een afgesloten binnenplaats. En zo kwam het dus dat de commandant van de huzaren in de stelling bij Kernhem op enig moment de groep langs hoorde trekken, op weg naar het westen.

Dat de groep, als ze Polen waren, op weg was naar Engeland is zeer aannemelijk. Na het uitbreken van de oorlog in hun land hebben heel veel Polen geprobeerd naar Engeland te ontkomen, met het doel om later terug te keren om hun land te (helpen) bevrijden. Zo'n 400.000 Poolse soldaten hebben in WO 2 tegen de Duitsers gevochten. Met als lijfspreuk: 'Voor uw vrijheid, en de onze'. In onze regio hebben de roemruchte “airbornes” van generaal Sosabowski (tijdens en na Market Garden) laten zien dat het hun ernst was. En dat de Polen ook Breda bevrijd hebben is vandaag de dag nog terug te vinden in de Burgerlijke Stand van die stad. Of in het telefoonboek. Want daar stokte hun opmars. En heel wat Poolse bevrijders bleken ook verleiders, werden verliefd, en trouwden.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er heel wat kleine Brabanders met Poolse genen bijzonder snel na de huwelijksdatum het levenslicht zagen. Al was niet alleen bij de Polen het geval. Maar ja, die konden niet emigreren. Want ze moesten wel hier blijven. Omdat ze, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Canadese bevrijders, niet terug kónden naar hun land. Want hun Polen, waar ze zo hard voor gevochten hadden, was achter “het IJzeren Gordijn” terecht gekomen. De Russen, en de communistische “heilsleer” zorgden er voor dat van een vrij Polen, hún vrije Polen, niets terecht kwam. Daar hebben ze tot 1987 op moeten wachten! Toen viel de Muur, en ging de grens weer open.

 

Polen wapen

Over het jachtrecht in het bosperceel van het buurschap Ede-Veldhuizen, en wat het Openluchttheater daar mee te maken had.

 

Het buurschap Ede-Veldhuizen, vroeger een ware grootgrondbezitter, heeft tegenwoordig alleen nog een klein stukje bos in eigendom. Zo'n 2,75 hectare, gelegen tussen de Woutersweg en de Barteweg. Dit is een strookvormig perceel, vooral begroeid met Douglas, een naaldboom die eigenlijk een exoot is, een van oorsprong hier niet thuishorende boomsoort. Maar de Douglas doet het goed op het Veluwse zand, en levert goed timmerhout.

In de lengterichting wordt het bosperceel doorsneden door een pad met ter weerszijden een rij lariksen. Door dat pad is het bos goed te herkennen.Het gehele terrein wordt door het buurschap verpacht als jachtterrein. Op zichzelf  is het kleine bosperceel van het buurschap niet echt interessant voor een jager, want veel te jagen valt er op het eerste gezicht niet.

Toch heeft het zin voor jager om ook voor het Buurtbosje een jaarlijkse, overigens bescheiden, pachtsom te betalen. Dat blijkt uit dit verhaal:

Vroeger werd de jacht in het bosje niet verpacht. En mocht er dus ook niet gejaagd worden. Later wel. Dat leert ons het verslag van de Buurspraak uit 1957. De buurschrijver was toen Hendrikus (“Drikus”) Hey. Hij woonde in “De Heyhorst”, een monumentale, maar helaas gesloopte boerderij aan de Veenderweg

Wat was het geval? Een inwoner van Arnhem, zekere Brinkman, had van de gemeente Ede het recht op de jacht op de Doesburgerheide gepacht. En in dat (voormalige) heidegebied lag en ligt ook het bosperceel van het buurschap..Het bestuur van het buurschap geeft de buurschrijver de opdracht, zo staat in het verslag:

“een schrijven te richten aan de heer Brinkman te Arnhem, die van de gemeente Ede het jachtrecht heeft gepacht op de Doesburgerheide, hem voor het perceel van het buurschap Ede-Veldhuizen, wat ook in dat gebied ligt en waar blijkt dat wild w.o. reeën daar regelmatig verblijven en verstoppertje spelen, een vergoeding aan het buurschap Ede-Veldhuizen te betalen en wel de somma van f 6,-- per jaar”.

Het wild had dus kennelijk goed in de gaten dat er in het perceel van het buurschap niet op ze gejaagd werd! Maar ook de buurscheuter (Folsche) zag dat! Pech voor de reeën, en (een beetje) voor de heer Brinkman.

Op onderstaande afbeelding, die uit Google Earth afkomstig is, is de ligging van het bosperceel aangegeven. En ook, zuidwestelijk daarvan, een camping, die aangelegd is in het voormalige zandgat van het buurschap Ede-Veldhuizen.         Dit zandgat was in gebruik genomen toen de zandafgraving op de Klinkenberg naar de gemeente Ede overging om daar, in het kader van de Werkverschaffing, het Openluchttheater aan te leggen.

bosperceel en zandgat

Helaas was het zand op de Klinkenberg wel, maar dat op de Doesburgerheide niet van de gewenste kwaliteit. Vooral de aannemers klaagden. Zij hadden voor metselwerk zogeheten scherp zand nodig, zand met kleine kiezelstenen. Het nieuwe zandgat bevatte vooral leemhoudend klapzand, zand waar deze kiezelsteentjes tot leem vermalen waren. De inkomsten uit de zandwinning werden daarom lager en lager.

De geërfden konden ook niet in de toekomst kijken, en verkochten het zandgat. Jammer, want anders was het buurschap Ede-Veldhuizen nu misschien wel campingbezitter geweest.

Overigens speelde de familie Hey een belangrijke rol in de exploitatie van de zandwinning in de graverijen van het buurschap. Daarover, en over het uit dat zandgraven voortgekomen bedrijf, is een heel verhaal te vertellen. 

Toen het zandgat waarin het Openluchttheater is aangelegd naar de gemeente was gegaan, hield het buurschap nog een daarachter gelegen terrein over. Daar had de gemeente ook wel belangstelling voor . Het buurschap had nog wat openbare wegen in eigendom (en in onderhoud!). Door ruiling van dat terrein annex die wegen tegen het perceel waar nu het bosje van het buurschap op staat op kreeg het totale grondbezit van het  buurschap de huidige vorm en omvang.

Het ooit zo grote bezit van het buurschap is dus wel erg klein geworden. Maar de houtopbrengst daaruit (en een klein bedrag aan pacht van de jacht) levert net voldoende op om het buurschap financieel overeind te houden. En dan kan er ook nog een jaarlijkse subsidie af voor de schaapskuddes op de Eder en Ginkelse heide. Dat laatste is het buurschap min of meer aan zijn stand verplicht, het was immers op een buurspraak dat uit de geërfden het initiatief is ontstaan om weer schapen op de hei te brengen.

En ook kan het traditionele glaasje brandewijn met suiker, in de pauze van de buurspraak, zo betaald worden.

De opnebare jaarlijkse Buurspraak in huize Kernhem op de derde donderdag in september trekt nog steeds geërfden en belangstellenden. Al zouden dat er wel wat meer, en vooral ook wat jongere, mogen zijn.

Maar wie weet, misschien draagt dit stukje daar wel aan bij.

 Jan Kijlstra 30-12-2011

Pagina 1 van 2